Dit document beschrijft de dataspecificatie en objectencatalogus van het Informatiemodel Natuur (IMNa), versie 7.1 januari 2024. IMNa is gemodelleerd conform het Metamodel Informatie Modellering [MIM].

In tegenstelling tot wat er in de vorige alinea staat is dit de definitieve versie van het informatiemodel v7.1. De alinea over de werkversie is automatisch gegenereerd en zal nog verwijderd worden. Wijzigingen naar aanleiding van consultaties zijn doorgevoerd. Vragen en opmerkingen bij deze versie kunt u sturen naar imna@bij12.nl.

Inleiding

Dit document beschrijft de dataspecificatie en objectencatalogus van het Informatiemodel Natuur (IMNa).
IMNa is een standaard voor uniforme, digitale gegevensuitwisseling in de natuurketen. Het IMNa beschrijft op een gestructureerde manier hoe natuurgegevens samenhangen, waaraan de uitwisseling van deze gegevens moet voldoen en welke definities gelden.

Het IMNa is ontwikkeld bij de invoering van het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL) in 2010 en wordt beheerd door BIJ12. De provincies hebben gezamenlijk, in afstemming met terreinbeheerders, instrumenten ontwikkeld voor landelijke uniformiteit en eenduidigheid van het SNL en een effectieve en efficiënte uitvoering ervan. IMNa is een van deze instrumenten.

Het IMNa ondersteunt de gegevensuitwisseling voor de hele natuurbeleidscyclus van de provincies en hun ketenpartners: verwerving, inrichting, beheer, monitoring van en verantwoording over natuur. Doordat provincies en ketenpartners werken met IMNa, hanteren zij één gemeenschappelijk kader voor het digitaal uitwisselen van natuurgegevens. Dit zorgt onder andere voor kwalitatief betere, betrouwbare en (landelijk) optelbare gegevens en lagere kosten en een efficiëntere werkwijze, doordat er minder interpretatieverschillen zullen zijn.

De objectencatalogus van IMNa geeft een overzicht van alle objecten die in IMNa voorkomen met bijbehorende attributen, definities en (topologische) constraints.

De dataspecificatie en objectencatalogus vormen samen met de factsheet en de validaties de basisdocumentatie van IMNa. Zie www.bij12.nl/imna

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 beschrijft het informatiemodel en het gebruik van het temporeel model. In hoofdstuk 3 worden de productmodellen Natuurbeheer, Natuurontwikkeling, Natuurkwaliteit en Vegetatie & Habitats beschreven. Hoofdstuk 3 geeft de objectencatalogus weer van de productmodellen Natuurbeheer en Natuurontwikkeling en de voor dit model relevante selectie uit NEN3610. Hoofdstuk 4 bevat de conceptversie van de objectencatalogus voor Natuurkwaliteit en Vegetatie en Habitats. Hoofdstuk 5 bevat de uitbreidbare codelijsten. Bijlage 1 bevat een overzicht van veelgebruikte afkortingen in dit document.

Opbouw informatie objectklassen en attributen

In het hoofdstuk 4 zijn generieke attributen en per productmodel de verschillende objectklassen en hun specifieke attributen nader toegelicht. Bij elke objectklasse is een tabel opgenomen waarin de definitie en andere klasse informatie wordt gegeven. De tabel heeft de volgende indeling:

Objectklasse
 Definitie:Definitie van de klasse
Toelichting:Omschrijving en/of toelichting van de klasse
Subtype van:De klasse is een subtype van deze klasse
 Stereotypes:Stereotype van het attribuut
Herkomst:Externe herkomst of bron van de definitie, indien van toepassing

Attribuut: naam van het attribuut

 

Type:

Definitie:

Datatype van het attribuut (zoals CharacterString of Timestamp)

Definitie van het attribuut

Toelichting:Toelichting en/of omschrijving van het attribuut
 Multipliciteit:Zie uitleg hieronder 
 Stereotypes:Stereotype van het attribuut
Herkomst:Externe herkomst of bron van de definitie, indien van toepassing
Codelijst:Van toepassing zijnde codelijst met waarden voor dit attribuut

Voor de multipliciteit van attributen komen de volgende mogelijkheden voor:

Beschrijving van het informatiemodel

In dit hoofdstuk wordt inhoudelijk ingegaan op de opbouw van het informatiemodel. Paragraaf 2.1 beschrijft de algemene concepten van het informatiemodel zoals het format dat gebruikt wordt om het model te beschrijven. Paragraaf 2.2 richt zich op hoe het temporeel model uit NEN3610 gehanteerd wordt en wat dit betekent voor het gebruik van IMNa-ID’s.

IMNa en klassen uit NEN3610

NEN3610:2011

De klasse GeoObject is afkomstig van het Basismodel model Geo-Informatie (NEN 3610: 2011) waarmee de aansluiting met andere ruimtelijke modellen is gewaarborgd. Daarnaast zijn de volgende klassen overgenomen uit het NEN3610:2011: FunctioneelGebied, RegistratiefGebied, Terrein en het datatype NEN3610ID.

Alleen de attributen die voor IMNa van toepassing zijn, zijn overgenomen uit de klasse GeoObject.

Voor de overzichtelijkheid van het UML klassediagram zijn niet alle relaties naar de GeoObject klassen door middel van lijnen ingetekend. Als een klasse in het informatiemodel een relatie heeft met het GeoObject, is in deze klasse rechtsboven een verwijzing opgenomen naar RegistratiefGebied, FunctioneelGebied of Terrein.

GeoObject klasse uit IMNa

Identificatie van geo-objecten

Ieder object in een klasse van het type featuretype heeft per definitie een unieke identificatie. Als de klasse echter een GeoObject is, dan is het verplicht om deze een unieke identificatie uit het GeoObject klasse mee te geven. Van ieder IMNa -GeoObject wordt een unieke Identificatie verwacht. De identificatie is als volgt opgebouwd:

  • Het IMNa-ID bestaat uit de samenvoeging van de namespace “NL.IMNa” en een lokaalID. Het lokaalID is opgebouwd uit een “bronhoudercode” en een “ID”. In dit geval heeft iedere bronhouder binnen het productmodel een unieke code en kan deze het object een ID naar wens geven, bijvoorbeeld een die overeenkomt met het ID zoals gebruikt binnen de eigen organisatie. De voorwaarde is wel dat de ID’s binnen een bronhouderregistratie uniek is! Het volledige IMNa-ID is dan: NL.IMNa.{bronhoudercode}.{ID}

Afhankelijk van het productmodel kan één van beide manieren gekozen worden. Deze identificatie mag niet veranderen gedurende de levensduur van het object zodat het altijd mogelijk is om via het NEN360ID het originele object terug te kunnen vinden. Iedere bronhouder is zelf verantwoordelijk voor het bepalen en vastleggen van deze ID’s.

NEN3610:2022

In het productmodel Vegetatie en Habitats is de nieuwe versie van het basismodel geo-informatie gevolgd: NEN3610:2022. In het semantisch model van NEN3610:2022 zijn nieuwe objecttypen toegevoegd die objecten uit de werkelijkheid classificeren, hieruit is bijvoorbeeld het objecttype Begroeiing opgenomen.

Objecttypen die uniek identificeerbaar zijn erven de attributen identificatie en domein van het objecttype IdentificeerbaarObject. Hierin is identificatie een unieke code voor het object en domein een unieke verwijzing naar de registratie- of ketenprocesverantwoordelijke entiteit, in dit geval IMNa.

Temporeel model NEN 3610:2011

In IMNa wordt gebruik gemaakt van de materiële levensduur en materiële historie uit NEN3610 om de historie van een object vast te leggen. Het is mogelijk om van een object zowel de materiële historie als de materiële levensduur vast te leggen. Hieronder worden beide begrippen toegelicht en aan de hand van een voorbeeld uitgewerkt.

Materiële Levensduur

De materiële levensduur van een object begint bij het eerste voorkomen van dat object in de werkelijkheid en eindigt wanneer het object niet meer geldig is in de werkelijkheid.

Om de materiële levensduur van een object vast te leggen, worden er twee attributen toegevoegd aan de bijbehorende klasse: de attributen beginTijd en eindTijd. Als een nieuw object ontstaat bij een bronhouder wordt een nieuw object gecreëerd, met een uniek IMNa-ID en een beginTijd. Een niet ingevulde eindTijd betekent dat het object nog bestaat in de werkelijkheid. Deze attributen geven aan gedurende welke periode het object in de werkelijkheid heeft bestaan.

Binnen IMNa betekent dit dat wijzigingen op attributen van objecten waarbij sprake is van materiële levensduur geen invloed hebben op het bestaande object. Het IMNa-ID blijft daarbij behouden en het attribuut ‘eindTijd’ blijft leeg in geval van een attribuutswijziging. Het attribuut ‘eindTijd’ wordt pas gevuld als het object niet meer bestaat in de werkelijkheid.

Of van een object de Materiële levensduur wordt bijgehouden, is te herkennen aan de aanwezigheid van de beschreven attributen in de bijbehorende klasse. Deze attributen zijn gekenmerkt met het stereotype «materieleLevensduur».

Materiële Historie

Materiële historie beschrijft veranderingen van eigenschappen van een object in de werkelijkheid. Om de materiële historie van een object vast te leggen, worden er twee attributen toegevoegd aan de bijbehorende klasse: de attributen beginGeldigheid en eindGeldigheid. Als een nieuw object ontstaat bij een bronhouder wordt een nieuw object gecreëerd, met een uniek IMNa-ID en een beginGeldigheid. Een niet ingevulde eindGeldigheid betekent dat deze versie van het object nog geldig is in de werkelijkheid. Deze attributen geven samen aan op welke periode in de werkelijkheid deze versie van het object betrekking heeft.

Binnen IMNa betekent dit dat wijzigingen op attributen van objecten waarbij sprake is van materiële historie zorgen voor een nieuwe versie van een bestaand object. Het IMNa-ID blijft daarbij behouden. De oude versie van het object krijgt een gevulde ‘eindGeldigheid’ en de nieuwe versie krijgt diezelfde tijd ingevuld als ‘beginGeldigheid’.

Of van een object de Materiële historie wordt bijgehouden is te herkennen aan de aanwezigheid van de beschreven attributen in de bijbehorende klasse. Deze attributen zijn gekenmerkt met het stereotype «materieleHistorie».

Uitgewerkt voorbeeld

Hieronder is een voorbeeld uitgewerkt aan de hand van de bouw, verbouw en het afbreken van een huis en hoe dit in de administratie is verwerkt. Aangegeven is het ontstaan en verdwijnen van het object voor de Materiële Levensduur, maar ook de verschillende instanties van het object voor Materiële Historie. In de voorbeeld leveringen wordt zowel Materiële Levensduur als Materiële Historie bijgehouden, te herkennen aan de attributen omtrent beginTijd/eindTijd en beginGeldigheid/eindGeldigheid.

Afbeelding met tafel Automatisch gegenereerde beschrijving

Voorbeeld temporeel model

Bepaling ‘nieuw object’ of ‘nieuwe versie van een object’

Of iets een nieuw object óf een nieuwe versie van een bestaand object is, is van belang bij het afhandelen van de regels behorende bij materiële levensduur en materiële historie. Enkele van de vuistregels om dit te bepalen verschillen per productmodel. Hieronder worden verschillende wijzigingen besproken en of zij binnen IMNa leiden tot een nieuw object of een nieuwe versie van een object.

Productmodel Natuurbeheer

Binnen het productmodel natuurbeheer wordt de materiële historie toegepast. Deze materiële historie wordt door BIJ12 technisch afgeleid uit de aangeleverde materiële levensduur. Dit betekent dat wijzigingen op attributen leiden tot een nieuwe versie van een bestaand object. Dit geldt ook voor een wijziging aan de geometrie. Specifieke toepassingen binnen dit productmodel:

  1. Wanneer de geometrie wordt opgeknipt of samengevoegd, dan wordt dit gezien als dat het huidige object ophoudt te bestaan in de werkelijkheid en ontstaat er een nieuw object. Van het oude object wordt de eindTijd aangeleverd en een nieuw object met een nieuw IMNa-ID wordt aangemaakt.

  2. Wanneer een dossier of waarneming niet meer gebruikt mag worden, dan wordt dit gezien als een object dat niet langer bestaat in de werkelijkheid. De eindTijd wordt gevuld en de status van het object wordt gewijzigd in ‘ongeldig’ (In het geval van Dossier).

Productmodel Natuurontwikkeling

Binnen het productmodel natuurontwikkeling wordt de materiële levensduur toegepast. Dit betekent dat wijzigingen op attributen geen invloed hebben op het IMNa-ID of de eindTijd van het object. Dit geldt ook voor een wijziging (groter of kleiner worden) aan de geometrie. Het object blijft bestaan in de werkelijkheid. Specifieke toepassingen binnen dit productmodel:

  1. Wanneer de geometrie wordt opgeknipt of gesplitst, dan wordt het grootste vlak gezien als het bestaande object, dat zijn IMNa-ID en beginTijd behoudt. Daarnaast ontstaan één of meerdere nieuwe vlakken (objecten) met nieuwe IMNa-ID’s en begintijden. De datum van de wijziging zal worden ingevoerd als beginTijd.

  2. Wanneer twee objecten worden samengevoegd, dan wordt dit gezien als dat de huidige objecten ophouden te bestaan in de werkelijkheid en dan ontstaat er een nieuw object. Van de oude objecten wordt de eindTijd gevuld en een nieuw object met een nieuw IMNa-ID wordt aangemaakt. De datum van de wijziging zal worden ingevoerd als beginTijd.

Productmodel Natuurkwaliteit

Binnen het productmodel Natuurkwaliteit wordt zowel de materiële levensduur als de materiële historie toegepast. Dit betekent dat het afhangt van de klasse of wijzigingen op attributen wel of geen invloed hebben op het IMNa-ID en de eindTijd of eindGeldigheid van het object. Specifieke toepassingen binnen dit productmodel:

  1. Wanneer een dossier of waarneming niet meer gebruikt mag worden, dan wordt dit gezien als een object dat niet langer bestaat in de werkelijkheid. De eindTijd wordt gevuld.

  2. Een wijziging aan de geometrie van een object in een klasse met materiële historie zal leiden tot een nieuwe versie van het object. Dit is nu alleen van toepassing op de klasse BeoordelingsGebied.

Productmodel Vegetatie en Habitats

Binnen het productmodel Vegetatie en Habitats wordt NEN3610:2022 gevolgd. Afhankelijk van het objecttype wordt de Levensduur toegepast, in NEN3610:2011 was dit materiële levensduur. Hierbij horen de attributen objectBeginTijd en objectEindTijd.

Specifieke toepassingen binnen dit productmodel voor objecttypenmet de toepassing van Levensduur:

  1. Wanneer de gegevens uit de Package of Opname niet meer gebruikt mogen worden, dan wordt dit gezien als een object dat niet langer bestaat in de werkelijkheid. De ObjectEindTijd wordt gevuld.

  2. Een wijziging op een bestaande Package of Opname wordt gezien als een nieuw object. Deze ontvangt dus een nieuwe identificatie en een ObjectBeginTijd. Het oude object, de ongeldige Package of Opname, wordt voorzien van een ObjectEindtijd. Daarnaast wordt het HabitatTypePackage minimaal elke 12 jaar opnieuw vastgesteld, dit wordt bijgehouden met een versie T0, T1 etc.

IMNa productmodellen

Het IMNa is de overkoepelende naam van vier productmodellen, die zijn gekoppeld aan verschillende onderwerpen/ processen in de natuurketen waarbij digitale gegevensuitwisseling plaatsvindt:

Het IMNa is modulair opgebouwd, waardoor het goed beheersbaar is. De vier productmodellen hebben ieder hun eigen dynamiek, maar kunnen niet los van elkaar worden gezien. De productmodellen zijn allemaal onderdeel van de ‘Plan-Do-Check-Act’ cyclus binnen het SNL en de Natura 2000-opgave. Daarom worden zoveel mogelijk generieke IMNa-objecten en definities gebruikt. Bij het opstellen en het beheer van de productmodellen wordt altijd integraal gekeken naar eventuele overlap met en afhankelijkheid van de andere productmodellen. De productmodellen zijn hieronder afzonderlijk beschreven.

Natuurbeheer

Figuur 3 geeft een overzicht van het UML-diagram van het productmodel natuurbeheer. Het productmodel natuurbeheer geeft een overzicht van de gegevens die de inhoud van het natuurbeheerplan en de beschikkingenkaart beschrijft.

IMNa productmodel Natuurbeheer

In het natuurbeheerplan beschrijft de provincie de ligging van het huidige natuurbeheer en de ambitie voor de natuur in Nederland. Een natuurbeheerplan kan opgedeeld worden in ‘Deelgebieden’. Een natuurbeheerplan bestaat minimaal uit de onderdelen: ‘BeheerGebied’, ‘BeheerGebiedAmbitie’ en ‘ZoekGebiedAgrarisch’ en kan worden uitgebreid met ‘ZoekGebiedWater’, ‘ZoekGebiedKlimaat’ en ‘DeelGebied’.

De klasse ‘Beheergebied’ geeft een overzicht van de ligging en typering van de huidige natuur in Nederland, onderverdeeld naar beheertypen conform de Index Natuur en Landschap. De ambitiekaart beschrijft de ambitie (gewenste situatie) voor de natuur(kwaliteit) in Nederland, ook per beheertype.

De klassen ‘ZoekGebiedAgrarisch’, ‘ZoekGebiedWater’ en ‘ZoekGebiedKlimaat’ zijn zoekgebieden waarin met ruimere begrenzingen wordt aangegeven waar subsidie voor respectievelijk agrarisch natuurbeheer en agrarisch waterbeheer aangevraagd kan worden.

De beschikkingenkaart beschrijft alle met (agrarische) natuursubsidie beschikte percelen. De beschikkingenkaart is de bron waarmee RVO de cumulatiecontroles uitvoert om na te gaan of er niet onterecht dubbel natuursubsidie wordt uitgekeerd op hetzelfde perceel. De beschikkingenkaart kan ook als bron worden gebruikt voor de kaartlaag ‘GebiedNatuur’ (vlakken met SNL-beheercontract), een deel van de VRN-rapportages.

Zie voor gedetailleerde informatie over het aanleveren van natuurbeheerplannen het vigerende gegevensleveringsprotocol (GLP).

Natuurontwikkeling

Figuur 4 geeft een overzicht van de klassen en hun onderlinge relaties van het productmodel natuurontwikkeling. De informatie in deze klassen wordt gebruikt voor de voortgangsrapportages natuur (VRN) die de voortgang van de natuurrealisatie in Nederland beschrijft.

De kern van het productmodel natuurontwikkeling bestaat uit 3 klassen: “GebiedVerwerving”, “GebiedInrichting” en “GebiedNatuur”. Daarnaast zijn de klassen “ResterendeInrichtingsAmbitie” en “NatuurNetwerkNederland” opgenomen.

GebiedVerwerving geeft een overzicht van de begrenzing van de voor natuur blijvend beschikbare grond, GebiedInrichting voor de ingerichte percelen en GebiedNatuur voor de in beheer zijnde percelen (met of zonder contract).

IMNa productmodel Natuurontwikkeling

Via de Voortgangsrapportage Natuur rapporteren de provincies over de natuurrealisatie in Nederland binnen het NatuurNetwerk Nederland (NNN).

Natuurkwaliteit

Figuur 5 geeft een overzicht van de klassen en hun onderlinge relaties voor het productmodel natuurkwaliteit.

Het productmodel natuurkwaliteit beschrijft de informatie en de samenhang tussen deze informatie voor het rapporteren over de natuurkwaliteit van een bepaald gebied in het kader van SNL-monitoring. Voor het beschrijven van de klassen en attributen van dit productmodel verdelen we het model in de volgende categorieën die in de komende paragrafen verder worden uitgewerkt:

Afbeelding met laptop, computer, wit Automatisch gegenereerde beschrijving

IMNa productmodel Natuurkwaliteit

Dossier en beoordelingsresultaat

De natuurkwaliteit wordt bepaald in een vooraf gedefinieerd ‘Beoordelingsgebied’ op basis van een kaart met beheertypen (bijvoorbeeld de beheertypekaart uit het natuurbeheerplan). Er wordt onderscheid gemaakt tussen een formeel en een niet-formeel beoordelingsgebied.

De klasse ‘Dossier’ is een verzamelklasse waarin alle beoordelingen worden verzameld alsmede metadata over de beoordeling zelf zoals eigenaar, naam en toelichting. Het is ook mogelijk om aanvullende documentatie toe te voegen aan het dossier zoals een rapportage van het groenbureau. De klasse ‘Dossier’ bestaat uit één of meerdere BeheerTypeBeoordelingen waarin de afzonderlijke beoordelingen per beheertype per kwaliteitsindicator zijn opgenomen. Zie Figuur 6 voor een uitsnede van het model dat de beoordelingsresultaten per gebied beschrijft.

IMNa productmodel natuurkwaliteit - Beoordelingsresultaat per beheertype per gebied

Beoordelingsresultaat per indicator

In het dossier komen uiteindelijk de kwaliteitsbeoordelingen van een beoordelingsgebied per indicator terecht. De modellering van de beoordeling per indicator is in Figuur 7 te raadplegen.

IMNa productmodel Natuurkwaliteit – Beoordelingsresultaten per aspect

De klasse ‘BeoordelingIndicator’ bestaat uit vijf subklassen die ieder de beoordeling (scores) van de kwaliteitsindicatoren beschrijven. De kwaliteitsindicatoren zijn: ‘flora en fauna’, ‘natuurlijkheid, ‘ruimtelijke condities’, ‘standplaatsfactoren’ en ‘structuurelementen’. De beoordeling van een kwaliteitsindicator is gebaseerd op kwalificerende kenmerken. Deze kenmerken zijn feitelijk waargenomen, gemeten of ingeschatte grootheden. Deze ‘KwalificerendeKenmerken’ verschillen per ‘kwaliteitsaspect’ (zie Figuur 8).

Er wordt onderscheid gemaakt tussen berekende kwalificerende kenmerken en kenmerken bepaald door experts. Het kan voorkomen dat bepaalde kenmerken niet berekend kunnen worden of dat de uitkomsten van een berekening niet realistisch zijn. In IMNa is het mogelijk om zowel de berekende waarden als de expertwaarden uit te wisselen.

Om de kwalificerende kenmerken van een indicator te bepalen, zijn ook tussenresultaten nodig. Deze tussenresultaten zijn ook gemodelleerd in IMNa, omdat deze relevant zijn voor de interpretatie van de beoordelingsscores. Bijvoorbeeld: voor het kwalificerende kenmerk ‘aantal kenmerkende soortgroepen’ voor het de indicator ‘flora-en fauna’ is het ook relevant te weten welke soortgroepen dan gevonden zijn in een gebied. Deze informatie is terug te vinden in de klasse ‘tussenresultatenFloraEnFauna’.

Voor de indicator ‘flora en fauna’ zijn er enkele uitzonderingssituaties bekend. Dit betreft beheertypen waarvan de kwalificerende kenmerken voor de beoordeling afwijkt van de standaard kenmerken. Deze kenmerken zijn gemodelleerd in de klasse ‘AfwijkendKwalificerendKenmerkFloraEnFauna’.

IMNa productmodel natuurkwaliteit - kwalificerende kenmerken en tussenresultaten

Maatlat

De klasse “Beoordelingscriterium” (Figuur 9) beschrijft maatlatten (criteria) waarlangs de kwalificerende kenmerken worden gelegd. De klasse “Beoordelingscriterium” bestaat uit vier subklassen waarin voor ieder kwaliteitsindicator de eisen worden uitgewisseld waaraan een indicator moet voldoen om een bepaalde beoordeling (Hoog, midden, laag) te krijgen.

IMNa productmodel natuurkwaliteit – Maatlat

Waarnemingen

De tussenresultaten van de kwalificerende kenmerken ‘flora-en fauna’ en ‘standplaatsfactoren’ worden bepaald aan de hand van waarnemingen. Deze waarnemingen zijn voor de volledigheid ook opgenomen in IMNa, omdat deze ook worden uitgewisseld. In Figuur 10 zijn deze klassen opgenomen.

IMNa productmodel natuurkwaliteit - Waarnemingen

Monitoringsplan

Het Monitoringsprogramma stelt kaders voor Monitoringsplannen (zie Figuur 11). Een Monitoringsplan bestaat uit één of meerdere Monitoringsactiviteiten waarvoor ook een geometrie en ligging vastgelegd wordt. In het monitoringsplan wordt beschreven hoe, wat en wanneer men in een gebied onder andere de natuurkwaliteit gaat monitoren.

IMNa productmodel Natuurkwaliteit – Monitoringsplan

Vegetatie en Habitats

Vegetatie- en habitatgegevens zijn een onmisbare schakel bij de monitoring van natuurgebieden conform de SNL-kwaliteitsmethodiek, binnen Natura2000 ten behoeve van het opstellen van natuurbeheerplannen en bij de uitvoering van het stikstofbeleid. Een goede standaardisering van de gegevens moet leiden tot een betere bruikbaarheid, optelbaarheid, efficiëntere inwinning en het kunnen aansluiten op analyse-applicaties.

Om dit voor elkaar te krijgen heeft de sector twee IMNa standaarden ontwikkeld voor gestructureerde uitwisseling:

Een Package is het transportmiddel om alle bij elkaar horende, ingewonnen en soms zelfs geïnterpreteerde gegevens in samenhang gestructureerd vast te leggen en uit te wisselen.

VegetatieKarteringPackage

Het VegetatieKarteringPackage is bedoeld voor het uitwisselen van vegetatiegegevens. De eindgebruikers zijn aanleverende terreinbeheerders zoals Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, Rijkswaterstaat, Defensie en afnemende organisatie zoals provincies, onderzoeksinstituten, rijk en dezelfde terreinbeheerders.

Een vegetatiekarteringpackage is een gebundelde set van samenhangende gegevens over vegetatie die binnen een door tijd en ruimte afgebakende onderzoeksopdracht worden verzameld en geanalyseerd. Deze package bevat gegevens die in het werkveld ook vegetatiekaart of vegetatiekartering wordt genoemd.